for better or for worse

 

Sonja Hillen – Ziek(2009)

Een serie van vijf kleine panelen, bespannen met borduurlinnen. Daarop getekend met zwart garen en een iets lichtere grijze textielstift. Een derde toon is het wit van het linnen. Daar waar geborduurd is trekt het doek een beetje samen, bobbelt, en de oneffenheden die daardoor in de stof ontstaan laten niet alleen kleine schaduwen zien, maar maken deze drager tastbaar aanwezig en bepalen mede daardoor betekenis en ervaring van het werk. Ook de zichtbare knopjes van de spelden waarmee de doeken op hun panelen zijn vastgemaakt veroorzaken hetzelfde effect. Op steeds dezelfde afstand zijn ze langs de randen van de panelen bevestigd en maken de hand van de maker zichtbaar. Het doet denken aan versierde zakdoeken en kussenslopen uit vroeger tijden, dingen die je kunt opvouwen en in de linnenkast kunt leggen, huiselijke, persoonlijke voorwerpen die onmiddellijk een intimiteit voelbaar maken.

Als klein jochie logeerde ik tijdens vakanties bij mijn oma van moederszijde en altijd zat zij te borduren – alleen: zij noemde dat niet zo, zij sprak van tekenen.

Dat is wat ik hier ook zie: tekenen. Behoedzaam zijn de ononderbroken lijnen in draad en stift binnen het vlak geplaatst, als door een vaste hand die zonder het minste spoor van twijfel aus einem Gussdeze vijf taferelen tevoorschijn lijkt te brengen. Dat geeft deze tekeningen een dwingend en onherroepelijk karakter: hier wordt niet gegumd of weggepoetst, dit is de werkelijkheid en op geen enkele andere wijze dan zoals wij te zien krijgen dient ze verbeeld te worden.

In vijf stadia wordt op de meest sobere wijze een verhaal verteld aan de hand van vijf lege ruimten. Als eerste een huiskamer. Iemand, zoëven nog knus gedoken in de kussens op de bank, heeft het boek of tijdschrift waarin gelezen werd weggelegd. Op het bijzettafeltje staan kopjes met drinken onaangeroerd. Het huis lijkt zojuist verlaten te zijn door wie het doorgaans bewoont.

Als tweede een onderzoeksruimte van huisarts of ziekenhuis. Hier een vierde toon: in mooi contrast met het wit van het linnen, is in nauwelijks donkerder wit garen het welbekende papier dat op de onderzoeksbank ligt geborduurd. Het onderzoek lijkt gedaan. De wachtkamer is verlaten.

De derde ruimte: terug thuis, de slaapkamer. Een gedeelte van een bed. Aan een van zijn hoeken hangt een muts. Op de achtergrond de kleren van de bewoner. Bij het zien van die muts raak ik voor het eerst in de war. Ik herken hem uit de eerste ruimte waar hij een beetje hulpeloos naast het boek op de grond ligt. Daar kan ik nog denken aan iemand die graag het hoofd bedekt, ook binnenshuis – en ook in de derde tekening kan die muts dit suggereren: hier, in dat bed, slaapt iemand die ’s nachts graag het hoofd warm houdt. De muts is zo nog een onschuldig ding. Maar mijn blik werd af en toe al naar de vierde ruimte getrokken, waar het huiselijk bed uit de slaapkamer plaats heeft gemaakt voor een verstelbaar ziekenhuisbed, geflankeerd door een verrijdbare stellage met slangetjes en meetapparatuur. Ineens kantelt de betekenis van de muts uit de eerste en derde tekening en daarmee ook de betekenis van de verschillende ruimten: de muts van iemand die warmte koestert is opeens ook de muts van een zieke geworden. Een zieke die overigens ook die vierde ruimte alweer heeft verlaten: misschien is hij of zij aan de wandel, of terug naar huis, maar het kan ook erger zijn: hij of zij heeft het leven gelaten.

In de laatste ruimte zien we een lege wachtkamer. Rijen lege stoelen zijn naast elkaar geplaatst. Slechts twee elementen worden met het zwarte garen naar voren gehaald: één stoel en een blok met de letter D dat boven aan het plafond hangt als aanduiding van een afdeling, of…als beginletter van het al dan niet gevreesde woord: dood? Voor mij verbeeldt deze laatste ruimte nog het meeste de ambiguïteit van het verhaal dat deze vijf tekeningen ons vertellen: ofwel beschrijft dit beeldverhaal het genezingsproces van een ziekte of juist van de ontwikkeling naar het laatste stadium van zijn of haar ziekte: het verscheiden.

Die ene stoel: is ook die kort geleden, na het laatste oordeel van volledig herstel, verlaten door de zieke of zal hij, door dat andere laatste oordeel, het sterven, nooit meer door de zieke worden bezet?

Alle vijf de ruimten ademen zowel de terugkeer van leven en hoop, als de afsluiting door dood.Nog sterker wordt de mogelijkheid van dubbele duiding wanneer ik bedenk dat ik als kijker steeds achter de feiten aanloop: iedere keer is de ruimte die ik betreed netverlaten en wordt mij onthouden waarmee ik nu toch te maken heb: leven? of: dood? Dat is van een wrede schoonheid. En ieder secuur en vastberaden getekend ding, muts, boek, plant, bed, blouse, stoel, krijgt daardoor een lading die maakt dat ik wil blijven kijken om de ontknoping te ontdekken, telkens weer.

Ik heb de titel van het vijfluik tot nu genegeerd, maar opeens besef ik er de kracht van: ziek. Het is de enige goede titel. Ziek-zijn als stadium tussen begin en einde. Ziek-zijn als een tussenruimte. Geen raker woord om de eindeloze cyclus van leven en dood mee aan te duiden.

 

Nico Huijbregts
(Tekst uit het boek “99 +1, Vrije kunst in Nijmegen.
In samenwerking met Inge Hondebrink en Pascale Companjen)

 

 

In het kunstproject For better or for worse versmalt Sonja Hillen haar artistieke blik tot de kamer van een patiënt in het ziekenhuis. Mede met hem, in een gebaar van doorleefde solidariteit, heeft ze de wereld ingeperkt en klein gemaakt. Alles is er wit, ja clean.
En wat er te zien is, staat er in schril contrast mee, letterlijk zwart op wit.
Dualiteit heerst alom: het genoemde wit-zwart refererend aan angst-hoop en uiteindelijk aan leven-dood.
Het zijn niet alleen het bed, de vele slangetjes en de witte jassen; ook de grafieken en de rapporten die de gesteldheid van de patiënt weergeven en de uitslagen van onderzoeken, met in laatste, belangrijkste instantie: de prognose op genezing.
Doorheen deze observaties, verslaglegging en feitelijkheden dicht bij de realiteit en zonder kleurinbreng weergegeven, schemert voortdurend een sterke geladenheid. Dit bereikt de kunstenaar zowel door beladen, bijna al te menselijke details weer te geven – bijvoorbeeld een muts van de kankerpatiënt verlaten hangend aan het voeteinde van het bed -, als door het materiaalgebruik. Ze borduurt bijvoorbeeld de feitelijke ziekte gegevens op het doek.
Rond textiel, brei- en borduurwerk, hier gebruikt, hangt een sensibele, tactiele zelfs kwetsbare sfeer, vaak in relatie gebracht met het vrouwelijke.
Alles samen gaat het om mixed media, waarin huishoudelijke materialen, dicht bij het dagelijkse leven, de boventoon voeren. Dit geeft het werk een tegelijk zowel tedere als broze uitstraling, die door de stevige verankering zowel in het ‘stoffelijke’ als het ‘nuchtere’ en ‘tragische’ van het bestaan, nooit flauw of sentimenteel wordt.
Integendeel, deze kunst kent een bijzondere aangrijpende resonantie.

Daan Van Speybroeck
Kuncoördinator Radboud Universiteit Nijmegen en UMC St Radboud (2009)